De familie Gruppelaar en de zeevaart

hillechiena-gruppelaarDiverse leden van de familie Gruppelaar werkten in de zeevaart. Uit scheepvaartberichten in de 19e eeuwse kranten blijkt dat zij onder andere voeren op Engeland en Scandinavië. Een aantal familieleden maakte soms hachelijke avonturen mee, zie hieronder de verhalen.

Sjoerd Pieters Gruppelaar (1819-1909)

“Te Plymouth zijn den 16den dezer nog 13 personen van de bemanning of de passagiers der op zee verbrande poststoomboot Amazon aangebragt. Zij hadden in een reddingboot het brandende schip verlaten, en werden, na 15 uren op zee te hebben rondgezworven, gered door een nederlandsch vaartuig, het galjootschip Hellecuina, kapitein Gruppelaar, van Amsterdam met suiker naar Livorno bestemd. De kapitein had hen eerst te Gibraltar aan land zoeken te brengen, maar hierin door storm en tegenwind belet, hen naar Plymouth gebragt. De geredden roemen de menschlievende behandeling, die zij aan boord van het nederlandsche vaartuig ondervonden hebben.
Onder de 13 geredden bevinden zich de predikant W. Blood, de luitenant Grylls en de tweede machinist Augus; de overige zijn stookers of matronzen. Uit het nauwkeurig onderzoek naar het gebeurde met de Amazon is niet de oorzaak van den brand, maar wel die van de snelle verspreiding der vlammen gebleken. Deze heeft in de te groote nabijheid van het houtwerk, de olie en andere licht vuur vattende stoffen bij de stookplaats en machines gelegen. De koelbloedigheid, het overleg en de menschlievendheid der officieren en equipage woorden door de geredden ten hoogste geroemd.” [Weekblad van Den Helder en het Nieuwediep, 26-01-1852]

“Bij het departement van buitenlandsche zaken zijn, door tusschenkomst van het britsche gezantschap bij het nederlandsche hof, ontvangen, ten einde aan de belanghebbenden te worden uitgereikt, twee gouden medailles en twee kijkers, welke door de britsche regering zijn toegekend aan Roelf Remmerts Tunteler, kapt. van het nederl. kofschip Geertruida, en aan Sjoert Pieters Gruppelaar, kapt. en eigenaar van het schoener-kofschip Hillechiena, ter zake van hun mensenlievend gedrag bij gelegenheid van het in zee verbranden van het engelsche stoomschip Amazon.” [Weekblad van Den Helder en het Nieuwediep, 31-05-1852]

“Veendam, 22 Januarij. In de op gisteren avond gehoudene buitengewone vergadering van het zeemans-collegie Tot Nut der Zeevaart, had eene dubbele plegtigheid plaats, die den geachten zeemansstand niet weinig vereerde. Ds. A. Winkler Prins, leeraar bij de Doopsgezinde gemeente alhier, opende de bijeenkomst met het houden eener doeltreffende redevoering en deelde daarna met eene toespraak de eervolle belooningen uit aan kapt. S.P. Gruppelaar, die op den 4den Januarij 1852 dertien zeelieden redde, welke den noodlottigen brand van het Engelsche stoomschip Amazon met eene boot waren ontkomen en daarna elf dagen hadden omgezworven. Kapt. Gruppelaar nam hen aan boord van zijn schip Hillechiena, verzorgde hen allerliefderijkst en zette hen te Plymouth aan de wal.
De bovenbedoelde belooning bestond in eene gouden medaille en eenen kostbaren teleskoop, bekroond door H. Britsche Majesteit en het bestuur der admiraliteit. (…) De plegtigheid was zeer indrukwekkend, en gevoelvol waren de woorden, welke bij deze gelegenheid gesproken werden.” [Nieuwe Rotterdamsche Courant, 25-01-1853]

Sjoert Jacobs Gruppelaar (1823-1882)

“Den 13den deze is, ten gevolge van in zee bekomen lekkagie en andere schade, op de reis van Osterns”er naar Termunterzijl, op het eiland Ameland gestrand het met hout beladen Ned. tjalkschip Zwaantina, kapt. S.J. Gruppelaar. De equipage, bestaande uit 3 man, is gered, en de lading en tuigagie onder directie van den Burgemeester, geborgen. Het schip is echter, als geheel wrak geworden, verloren.” [Algemeen Handelsblad, 18-10-1855]

Oetse Gruppelaar (1851-1908)

“Een moeilijke redding op zee.

In de N. R. Ct. is eenige dagen geleden medegedeeld, dat de baggermolen Drague, gesleeptdoor de sleepboot Oostzee van Rotterdam naar Bourgos, op de Portugeesche kust op drift was geslagen; dat dit vaartuit later op strand dreef en dat er een van de twee opvarende runners, Verschoor, werd gered. De andere, Gruppelaar, verdronk.

De geredde zeeman heeft van zijn redding het volgende medegedeeld: Spoedig nadat de baggermolen los was gebroken, kwam een stoomschip in het gezicht, dat een sein opzette, doch door de runners op den molen niet begrepen en dus niet beantwoord werd. Dit schip vervolgde
zijn koers. Kort daarop kwamen twee booten naderbij, een Noorsch stoomschip met hout beladen
en een Engelsch stoomschip de Don Hugo. De Noorsche boot, die niet zoo gemakkelijk hulp kon
verleenen, vervolgde zijn koers, doch de Don Hugo bleef. Men vroeg den opvarenden dan den
baggermolen wat zij verlangden, waarop dezen antwoorden, dat zij gaarne zouden worden
afgehaald of op sleeptouw genomen. De Don Hugo seinde terug, dat men zulks doen zou. De
kapitein van de Don Hugo liet de groote reddingboot gereed maken en riep vrijwilligers op
voor het reddingswerk. Onmiddellijk boden zich aan de 2de- en de 3de-stuurman, de bootsman,
twee kwartiermeesters en een matroos, die de boot bemanden en op reis gingen naar den molen.
Voorzeker een gevaarlijke tocht in de woedende zee!
Men slaagde er in goed en wel aan lei van den molen te komen. Verschoor sprong van den molen
in de boot, doch Gruppelaar durfde den spring niet wagen. Men was dus genoodzaakt langszij
van den molen te gaan om ook hem aan boord te nemen. Dit geschiedde. Nu echter lag de boot
tegen den molen, die met zooveel vaart voor den wind afdreef, dat het onmogelijk bleek met
de boot vrij van den molen te komen. Men werkte nu de boot naar het vooreind van den molen
en juist was de kop vrij, toen de boot door een zee tegen de ladder werd gezet, klem
geraakte tusschen de emmers en op zij zoo goed als verbrijzeld werd. Allen zagen kans over
de ladder aan boord van den molen te komen. De boot sloeg los. Nu waren er acht menschen op
den molen.
De 2e-stuurman, die een roephoorn bij zich had. riep den kapitein van de Don Hugo toem dat
de molen in goeden staat was en verzocht hem te trachten den molen op sleeptouw te krijgen.
Onmiddellijk begon het stoomschip vuurpeilen met lijnen af te schieten, doch tevergeefs. Een
lijn kwam aan boord, doch brak. De molen dreef al meer naar de kust en naar gissing bevond
men zich op 9-10 vd. water met de branding zeer nabij en de steile rotskust in het gezicht.
Van de Don Hugo werd nu een 2-duims lijn met drie boeien naar den molen gedreven om zoodoende te trachten verbinding te krijgen; echter bleven deze boeien voor dit doel te ver weg. Drie man sprongen van den molen, zwommen naar de boeien en werden aan boord gehaald.
Opnieuw werden boeien in zee gelaten, een lijn met 1 boei en een lijn met 3 boeien. Nu sprong Verschoor in zee, zwom naar de boei en werd ook ingehaald. De vier overigen durfden niet in zee springen en wachtten tot de boeien van boord te grijpen waren. Dit gelukte. De bootsman en Gruppelaar aan een boei. Ook dezen werden naar boord gehaald. Drie kwamen veilig aan boord. Bij het ophalen van Gruppelaar echter liet deze los, viel in zee en verdween.
Verschoor werd aan boord van de Don Hugo liefderijk verpleegd en later geland te Huelva. Van de redders bekwam niemand eenig letsel. Alleen de bootsman was eenige dagen ongesteld, doordat hij te veel water had ingekregen.
De moedige redders hebben hun leven in de waagschaal gesteld om dat van anderen te redden en de gezagvoerder van de Don Hugo heeft, zoodra hij den in nood verkeerenden baggermolen met bemanning bemerkte, niet geaarzeld pogingen tot redding aan te wenden, niettegenstaande de plaats, waar het reddingswerk moest geschieden, gevaar opleverde voor zijn eigen schip.” [Schager Courant, 22-11-1908]

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.